Naar aanleiding van Gedichtendag 2012 was Marrek Blich,
de dichter met de drie paspoorten, in januari te gast in de prachtige Braem-bibliotheek van Schoten. Hij las er voor uit zijn werk (zie foto). De schrijver dezes had de eer de inleiding bij zijn gedichten te mogen uitspreken. Een fragment daaruit:
"Ik wil kort iets zeggen over Blich, omdat enkele van zijn biografische gegevens belangrijk zijn, denk ik, om zijn poëzie beter te begrijpen. Blich is houder van drie paspoorten, een Belgisch, een Duits en een Kroatisch. Hij heeft ooit eens in een interview gezegd dat hij die alledrie terstond had willen ruilen voor één enkel Joegoslavisch paspoort maar helaas voor hem is hij te laat geboren om dat eertijdse land zijn moederland te kunnen noemen. Wat hem niet belet geregeld naar het land van Tito te verwijzen.
En wat hem zeker niet belet om constant rond te zwerven in de regio van het voormalige Joegoslavië. Zijn gedichten gaan dan ook over schrijven tussen Oost en West en over bijzonder mensen die hij onderweg ontmoet of die hij heeft achtergelaten in zijn geliefde Belgoslavië (zijn gedichten zijn bijna allemaal aan iemand opgedragen). Een greep uit zijn inspiratiebronnen: de stad, Balkanhelden (al dan niet ironisch bedoeld), Ottomanen of Habsburgers, café’s of kafana’s, waar de vrouwen, de vriendschap en de drank nooit ver weg zijn."Bij wijze van illustratie droeg hij zijn eerste gedicht op aan een zekere Michiel.
"(voor michiel)
'ami, remplis mon verre'
ik mis je vriend
ik mis je in deze straten
in deze kroegen
de toog is me soms te leeg, verlaten,
is zo zonder je schouder te hoog
stil is de nacht zonder je dronken stem
ja, m,
ik mis je tot in de diepste voegen
van mijn lijf en stad
en, vriend, ik heb nog nooit zo’n dorst gehad…"Blichs optreden in Schoten was een kort intermezzo in zijn huidige verblijf in Wenen. Vanuit de voormalige hoofdstad van het Habsburgse rijk, temidden van de
"Kakaanse resten" (
Benno Barnard), kreeg Balkanboeken onlangs een email, met daarin volgend citaat.
"Ik denk dat ik straks een pintje ga pakken met Miroslav Krleza erbij.. Hij heeft een fantastische passage geschreven in zijn boek "de Glembays" over de Witte Stad:
(de context is juist na het fatale jaar 1918...)
'... Deze zware crisis duurde twee lange jaren tot hij op een dag (het was een late herfst) van zijn laatste geld, als in stervensnood, een ticket kocht en via Pest naar Belgrado reisde, teneinde contact met de Servische diplomatie te leggen, of zich anders van kant te maken. Na ellende in Wenen nu ellende in Belgrado. In Belgrado was alles alleen nog ellendiger. Modder in de straten, ketels met teer, acetyleenlampen, kastanjepoffers, openbare toiletten en de burek van de Macedoniche burekbakkers, het was allemaal om ellendig van te worden. Ridder Oliver Urban, penvoerder van het koninklijke en keizerlijke gezantschap in Madrid, zat daar aan zijn zevende rakia in een of ander smerig café aan de Sava, luisterde naar de zigeuners, nipte van zijn zevende rakia en had niet één bruikbare gedachte in zijn hoofd. In hem heerste volmaakte leegte. Een vacuüm van rook, zigeunermuziek en verder slechts een vaag besef van zijn verblijfplaats: hij, ridder Oliver Urban, zat daar te drinken in een Oost-Europese binnenhaven die "het belangrijkste handelsknooppunt was voor het Nabije en Verre Oosten": langs dit "belangrijke knooppunt", misschien wel precies door dit café, trokken de kruisridders op weg naar Byzantium! Godfried van Bouillon was met zijn vlaggen en banieren langs deze kroeg gekomen, en ook de nobele ridder prins Eugen, en nu was alles hier nevel en modder, neerslachtigheid en rakia...'"Prachtige lelijkheid.
Miroslav Krleža, De Glembays. Vertaling Guido Snel. De Bezige Bij, 2007.